Weer overslaand uit diepe neerslachtigheid naar ongebreideld optimisme, zag hij, onder haar invloed, Gertrud gelijk worden aan haar en, tegelijk, liever en hartelijker tegen hem, dan ze nu was.
Voor nummer zeven en twintig, op de Lindengracht, stonden twee mannen. De langste, een magere in werkpak en met een zijden das nonchalant om den hals gestrikt, praatte luid en gedecideerd en bewoog daarbij af en toe de hand horizontaal, alsof hij er gras mee maaide. De ander, een dikkerd, stond wijdbeens te lurken aan een pijpje, en luisterde.
Max bleef staan, om te wachten met vragen tot de lange uitgesproken was.
— Link mot je sijn, Dirrek, anders neme se je.
— Link bin jij genogt, Gerrit, zei de dikkerd en blies hem den rook van zijn pijpje pardoes in het gezicht.
— Laat je dat frisch sijn, maat. Hebbe toch ferlede week twee ape fan jonges geprobeerd me in de lure te legge.
— Motte se net jou hebbe.
— Motte se juist nèt mijn hebbe; dat hê-je goed in de smiese. Op de duifemarkt, ’n Saterdagafend. Klampe me d’r twee fan dat gajes an en liete me een duif sien, sóó’n kanjer. Gerrit sêt de een, jij bint nogal link, niet?
— As je se linker weet as ik, soek se dan, seg ik. Mot je hier wese, meneer?
— Woont hier Van Seventer? vroeg Max. Ik wou U niet storen.
— Mot je linker foor sijn, man. Fan Seventer bin ikself, die staat fóór je. Nou, Dirrek, ’t andere fertel ik je fenafend, bij Dikke Griet. Frage se, Gerrit, wat is dèt foor ras fan duif? Ik koek ’m onder se fler-reke en seg d’r meteen, haai bofenop: Kuresau. Metéén d’r bovenop. Had je een boodschap foor mijn, meneer?
— Ik wou U even spreken, maar ik kan wel even wachten, zei Max.
— Ben tot je dispesiesie; fenafend ferder, Dirrek. Segt één fan die ape tege mijn, is ie jou fijf soof waard? Hein Driepoot biedt fier en drie heitjes. Ik haai d’r bofenop, fijf heitjes, geen spie meer.
— Dat was link geboje, prees Dirk. En kreeg je de doffer d’rföór?
— Fertel ik je fenafend wel. Nou, meneer, daar heb je me. De jonges an ’t lofe en ik an ’t bieje en toen sloege me deur op een lammetje en fijf spie.
— En was ie dat waard?
— Dat was nou effetief het linke; de duif was ’t niét waard, want ie was geen duif maar een kuiken, met ’t fieselemie fan een duif.
ll
161