Vroeg ze zichzelf af, op de vingers tellend. Met een notaris, een baron, een luitenant, een kamerlid, ja die zal je wel kennen, zoo’n vette met zweetlippen. En dan heb ik geslapen . . Neen, dat gaat je niets aan. Als ik naar hèm toega ...
Max werd bloedrood, dan vaalbleek. In hem woedde de drang, haar op beide wangen te slaan, haar te ranselen als een straatjongen. En tegelijk voelde hij zich te slap en te ziek om een hand te verroeren. Hij haalde diep adem. Nee, dat mocht hem niet overkomen, dat hij een vrouw sloeg. Met heel de rest van zijn geestkracht, dwong hij zich kalm te zijn.
— Je hebt een half uur de tijd, zei hij, bedaard. Daarna ga je öf met mij mee en je tracht je leven te beteren, öf je gaat alleen weg en dan moet je maar zien wat er van je terecht komt.
— Geef me maar reisgeld, dan ga ik direct naar Berlijn.
Dat was een dreigement, voelde hij, bestemd om hem klein te maken. Maar daarvoor had hij te lang door Duitschland gereisd. Met haar gebluf zou ze hem niet bang maken.
— Jij hebt geen reisgeld noodig, zei hij, zoo hardvochtig als hij kon. Als ik de politie vertel wat je vannacht hebt uitgevoerd, brengt ze je met plezier voor niets over de grens. En niet op zoo’n prettige wijze, als je bent hier gekomen.
Ze zweeg. Heel haar gelaat drukte vrees en ontzag uit, voor de dwingende macht, die zij boven zich wist; politie.
Nu liep hij meteen de kamer uit. Hij voelde zich verlicht, dat hij haar met woorden bedwongen had.
— Ze pakt haar boeltje,^ zei hij tegen moeder. Zeg haar maar niet goeden dag, want dat is ze niet waard.
Moeder keek hem met verwonderde oogen aan.
— Waar gaat ze heen?
— Een kennis van me heeft een paar kamers vrij. Daar moet ze dan maar blijven, tot we getrouwd zijn.
— Dus dat komt er toch van? Is ze dan wel waard, je vrouw te zijn? Max, doe je oogen open, word wakker; je moeder roept je. Bezin je eerst goed, voordat je daartoe overgaat.
Voorovergebogen zittend, het hoofd in de handen geleund, haalde hij de schouders op. Nee, Gertrud was niet waard, met hem of met wien ook te trouwen. Ze was niet eens voor het huwelijk bestemd, zij met haar vreemde, onbetrouwbare natuur. Mary Haller had dat wel ingezien en hem gewaarschuwd. Maar, wat gaven waarschuwingen en wat baatte het dat hij het zichzelf voorhield?
Hij hield van haar. Hij hield van haar, hoewel hij er onder leed. Deze liefde voelde hij als een zwaren steen die, met een touw aan zijn hals verbonden, achter hem aan sleepte. In eiken kuil zakte de steen weg,