tranen in zijn oogén zou bemerken. Ën zijn oogen voelden weer zöo dof aan, alsof het donker om hem heen werd, of hij niet zou kunnen zien, als hij opkeek.
Helen heeft gelijk, moeder, ze mag geen uur langer in dit huis blijven, zei hij, toen mevrouw Branders zweeg. En ik had haar hier nooit mogen brengen.
— Wat doe je dan, jongen? Waar gaat ze nu heen?
— Ja, waar dan heen, moeder?
— Stuur je haar naar huis terug? Misschien verlangt ze er wel naar.
— Terug? Ik hou van haar, moeder Hoe kan ik haar dan terug sturen? Ik zou haar eiken dag opnieuw missen.
Toen liep hij, met gebukt hoofd, weg, naar Gertruds kamer.
Ze zat bij het venster, trommelde op de ruit, toen hij binnen kwam. Ze keek hem onverschillig aan, maar toen ze het verdriet in zijn oogen las, welde medelijden in haar op. Al hield ze maar weinig van hem, moest ze toch erkennen dat hij voor haar heel goed was geweest, toen zij verdriet had, dacht ze. Moest ze daarom nu niet probeeren hèm te troosten, nu hij zich ellendig voelde?
Ze ging naar hem toe en greep zijn hand.
— Heeft je moeder het gezegd, Max? vroeg ze.
— Ja, Gertrud.
— Ben je nu boos op me?
Hij sperde de oogen open van verbazing. Of hij hoos was, vroeg ze. Anders niet. Leek dat niet, of de vreeselijke teleurstelling, die ze hem berokkend had, buiten haar omging? Was het niet, of het gebeurde haar niets kon schelen?
Wat kon hij nu verder van haar verwachten? Hoe kon hij nu nog hopen dat ze, als hij vroeg waarom ze was weggeloopen en weggebleven, de waarheid zou antwoorden? Als ze zelfs antwoordde.
Voelde ze niet, wist ze niet dat ze veel sterker was dan hij? Ze wist immers dat hij krankzinnig veel van haar hield en er zelf het mééste verdriet van zou hebben, als hij haar naar Berlijn stuurde.
— Nee, Gert, ik ben niet boos, zei hij eindelijk, niet wetend wat anders te antwoorden. Maar nu kan je hier niet blijven wonen. Helen wil het niet langer hebben. Ik moet dus zoo gauw mogelijk een kamer voor je zoeken. Had je dat nu niet kunnen voorkomen? Je vond het immers zoo prettig, goede vrienden met haar te zijn.
— Mijn schuld is het niét, zei ze met nadruk. Je had beloofd me mee uit te nemen en je hebt het niet gedaan.
— Ja, dat is zoo. Laten we er maar niet verder over spreken.
— En daarom ben ik alleen uitgegaan, ging ze voort.
— Nu, ik zeg er immers niets meer van.
157