niet naar, een ongeluk te overkómen. Wel zag ze er niet bepaald frisch uit; ze scheen zich ternauwernood gewasschen te hebben. Toen ze eindelijk wat wilde zeggen, klopte Annie aan. Ze kwam dekken, voor Gertrud, maar was eigenlijk benieuwd, hoe de „Duitsche” ontvangen was.
Gertrud ontbeet smakelijk, at meer dan anders en scheen geheel op haar gemak te zijn. Al naar haar kijkend, terwijl ze onbezorgd haar boterhammensmeerdeenvlijtig at,werd mevrouw Branders’ gelaat minder strak en haar oogen verloren hun droeven schemer. Voor strengheid of bedroefd-zijn scheen geen reden meer te zijn, want Gertrud was blijkbaar niets onaangenaams gepasseerd. Het kwam haar voor dat het meisje volstrekt niet den indruk gaf, behoefte te hebben aan meegevoel of voorspraak. Toen haar oog den blik van haar gastvrouw opving, lachte ze haar guitig en voldaan toe. En nu trof het mevrouw Branders, dat haar gansche uiterlijk en gedragen waren als van een mensch die met het leven volkomen tevreden is en zijn volle voldoening geniet. Dit meisje scheen volmaakt gelukkig te zijn; hoe kon zij dan verstoord blijven kijken?
— Niet boos zijn, Mütterchen, zei Gertrud opeens en schudde schertsend den vinger tegen haar. U ziet dat ik nog gezond en wel ben. Ein Berliner Madel verlauft sich nicht.
Ze lachte opgeruimd. Het ontbijt smaakte haar en niemand zei een onvriendelijk woord. Zoo een goed onthaal had ze in Berlijn nog nooit gehad, na een uitstapje.
Daar klonk de bel.
— Ha, daar is Max! juichte ze. Ik heb meteen een appeltje met hem te schillen.
Mevrouw Branders, die bijna had meegelachen, voelde zich opeens weer gedrukt. Nu zou de verklaring komen, een scene, wellicht. Wat zou Gertrud haar jongen zeggen en hoe zou hij er op antwoorden? Ja, hoè en wat? Was het dan wel mogelijk, ernstig te zijn en te praten met een meisje, dat ’s avonds het huis uitloopt, in den ochtend terug komt en dan lacht en schertst als een kind dat verstoppertje heeft gespeeld? Ja, een kind was ze ook nog slechts, maar ze zou toch zijn vrouw worden. En al scheen er dan geen eigenlijke slechtheid in haar te schuilen, was het toch onmogelijk toe te staan, dat ze zich zóó misdroeg. Wat voor toekomst ging haar lieve jongen tegemoet, met een vrouw als zij?
Max kwam onstuimig binnen, zoende zijn moeder en boog zich over Gertrud heen. Ze hield hem haar wang voor.
— Dag, dag!
Het klonk als een juichkreet, als een begroeting na jaren van afwezigheid.
1J4