wel goedvinden dat ze op Max wachtte. Als ze maar eenmaal weer binnen was, kwam al het andere vanzelf wel.
Gertrud had niet in het minst het gevoel, iets misdaan te hebben. Ze was wel weggegaan, alleen en in den avond en den heelen nacht uit gebleven, maar dat kwam immers zoo dikwijls voor. Mevrouw Branders was haar moeder niet en deze zelfs had het op den duur opgegeven, haar om haar omzwervingen standjes te maken. En, wat Max betrof, tegenover hèm voelde ze heelemal geen reden tot verklaring, nog minder tot verontschuldiging.
Ze dacht nog eens goed over den vorigen dag na en kwam tot de conclusie, dat hij haar belogen en bedrogen had. En zijn schuld was het, dat ze Ten Brakel had opgezocht en met hem was uit gegaan. Als Max zijn woord had gehouden, was thuisgekomen en haar mee uit had genomen, zou ze geen reden hebben gehad, met een ander uit te gaan. Ze achtte het niet onmogelijk, dat mevrouw Branders het ook zoo inzag en haar dat zou zeggen, zoodra ze thuis kwam. Dan was dat misschien meteen een goede gelegenheid voor hem, om in te zien dat hij zijn leven beteren moest. Als hij een mooie vrouw verlangde en bovendien wilde dat ze trouw bleef, dan moest hij haar niet in de noodzakelijkheid voeren, bij avond alleen uit te gaan. Als hij het daarop aanlegde, moest hij ook maar de gevolgen afwachten.
Het feit dat ze den nacht had doorgebracht in de kamer van Ten Brakel, telde niet mee, vond ze. Dat wist hij niet en had hij haar dus ook niet te verwijten. En als hij de dwaasheid zoo ver mocht voeren, van haar te verlangen hem te zeggen, waar ze was geweest, welnu, dan zei ze hem dat. Als het hem niet aanstond, kon hij haar reisgeld geven en dan ging ze weer naar huis. Van den overvloed van guldens, waarvan iedereen in Berlijn altijd den mond vol had, was haar tot nog toe niets gebleken. Als er in Holland veel geld was, dan lag het er al evenmin op straat als in haar land.
— Is mevrouw al op, Annie? vroeg ze.
Het meisje, dat verwacht had een leverancier te zien, schrok, bij haar onverwachte verschijning. Dan doordrong haar opeens een gevoel van bewondering, voor haar, die Duitsche. Diè durfde hoor, die was niet bang, voor den rijkdom. Ze had allang gemerkt dat die Gertrud evenmin van goede familie was, als zijzelf.
Gertrud wachtte haar antwoord niet af en liep naar de huiskamer.
Mevrouw Branders zat aan het venster, met haar naaimandje. Ze keek het meisje verwonderd aan, een trek van pijn om den mond.
— Goeden morgen, Mevrouw.
Mevrouw Branders schudde, als in gedachten, het hoofd. Ze had dus om dat meisje zorg gehad en angst doorstaan, zonder grond. Helen had dus wel gelijk gehad. Dit onverschillig, vrijpostig kind was er het meisje
153