hoogste noch de vergevensgezindste moraal. Integendeel. Voor verraad en bedrog had de wereld altijd en door alle eeuwen heen verachting en verguizing gehad.
Zoover zou zij zich niet laten voeren, dacht ze. Maar, in haar huis zou ze dat meisje niet meer dulden. Haar de woning ontzeggen kon geen zonde, maar moest plicht zijn. Tegenover het dier gold ook niet dezelfde moraal als tegenover den mensch. Waarom dan den primitieven mensch, die weinig minder ver van den geestelijk-gegroeide afstond dan het redelooze dier, wèl volgens die moraal beschouwd en behandeld. Zelfs de liefste en verstandigste huisdieren duldde een beschaafd mensch niet aan zijn tafel, beschouwde hij niet als zijn gelijke. Waarom dan wel een wezen, dat alleen uiterlijk gelijk was aan een denkend en zich voor zijn handelingen verantwoordelijk voelend mensch?
Vooral ten opzichte van haar moeder achtte zij zich niet verantwoord, zoo ze dat meisje toestond haar leven hier uit te leven. Dat zou dan niet moreel, maar onverantwoordelijk zijn. Haar lieve moeder moest bewaard blijven voor ervaringen, die haar mooi geloof in de menschen slechts belagen en besmeuren konden.
Bij het ontbijt vermeed moeder het, over Gertrud te spreken. Als gewoonlijk, ging Helen om half negen naar haar school.
— Moedertje, zei ze, ik heb er nog eens ernstig over nagedacht. Als dat meisje straks thuiskomt, wat ik best mogelijk acht, kunt U haar, wat mij betreft, behandelen alsof er niets gebeurd is. Maar ik acht het, terwille van de rust in ons gezin, noodzakelijk dat ze ergens anders gaat wonen. Mocht U er tegen op zien, Max in te lichten, laat hij me dan maar van school komen halen. Dan kan ik hem wel zelf zeggen dat ik dat meisje niet langer onder ons dak duld.
Nauwelijks een kwartier later belde Gertrud aan.
Ze was al van zeven uur af op straat en had, in den November-killen ochtend, anderhalf uur in het park gewandeld. Ten Brakel had haar niet langer op zijn kamer durven houden, om bij zijn hospes geen argwaan te wekken. Maar haar waren die ochtendwandelingen niet ongewoon. Menig maal, in Berlijn, als ze te gast in een groot hotel was geweest, moest ze wel om zes uur de straat op, voor dat de dagportier zijn plaats had ingenomen. Dan kwam ze vele vriendinnen en kennisjes tegen en wandelden ze te zamen naar Bahnhof Zoo, waar de meisjes zich mochten verfrisschen.
Tegen half negen wandelde ze op haar gemak naar de Verhulststraat. Nu eerst dacht ze over haar houding na, die ze moest aannemen. Mevrouw Branders zou wel boos op haar zijn en Helen niet minder dan razend. Maar daarom wachtte ze dan ook tot deze tenminste naar haar school was. Mevrouw Branders zou haar toch geen ontbijt weigeren en