Helen had, niet zonder zich geroerd te voelen, zwijgend naar haar moeder geluisterd. Ja, zijzelf had ook menigmaal de heerlijke moraal voorgestaan en geprezen van hen, die, niet prat op het monopolie van een bepaalden eeredienst, de ware moraal zoeken in de geestelijke nalatenschappen van alle grooten, die de Menschheid hadden gediend, door haar voor te gaan. Haar filosofische studie had haar doen zien dat er geen eigenlijke zonde bestond. En in haar gesprekken met een jong auteur, die opzettelijk teruggedrongen werd, omdat hij vóór alle symboliek en romantiek in de literatuur, vóór alle zoet-aandoende en mooi-schijnende leugens en gehuichel, de logisch-psychologische kennis van den mensch wilde geven, had ze geleerd, dat het begrijpen van den mensch, zijn motieven doet weten en zijn zijn aanvaarden. Maar, dacht ze nu, zou de zedeleer van haar vriend Haron dan óók van haar vergen dat ze samenwoonde met menschen wier, van de hare zoozeer verschillende, natuur, haar absoluut afstootte?
— Al kan ik als mensch Gertrud alles vergeven, moeder, zei ze zacht, dan mag ik toch niet zoover gaan haar mijn kijk op te offeren. En dat zou ik doen, als ik goed vond dat ze hier bleef wonen en zich voortdurend handelingen veroorloofde, die tegen mijn levensbeschouwing ingaan. Al zouden we voor een begrip dat boven het onze uitgaat volkomen gelijk zijn, dan sluit dat nog niet in dat de één den ander, zij het onbedoeld, mag ergeren.
Om twee uur hoorde Helen haar moeder nog woelen en zuchten. Zelf lag ze nog langer wakker, haar brein doorwoeld van allerlei tegenstrijdige gedachten en opwellingen.
Plots schrok ze op; de bel. Ze was dus ingeslapen. Dadelijk herinnerde zij zich wat er voorgevallen was, begreep zij, dat waarschijnlijk Gertrud aan de deur stond.
Ze keek op haar horloge. Kwart voor vier.
Was ze gehouden, op dit uur nog, een meisje binnen te laten, dat er naar scheen te streven alles te verwerpen en te verontreinen, wat de vrouw in haar altijd het mooiste, het hoogste was geweest. Moeder had wel gezegd . . Maar, gold élke moraal dan niet slechts en uitsluitend vóór en jégens normale menschen? En, kón ze een primitief wezen als Gertrud wel normaal noemen? Nee. Maar als ze dan niet normaal was, mocht ze haar dan wel verantwoordelijk stellen, voor haar eigen daden.
Ben ik mijn zusters hoedster? vroeg ze zich glimlachend af.
Nog een maal klonk de bel. Ze stond op en stak licht aan. Daar hoorde ze twee stemmen; een er van was die van een man. En het geluid van twee paar voeten ging het huis voorbij.
Nu drong het bloed haar naar de wangen. Haar vermoeden was dus niet onjuist geweest. Gertrud was in gezelschap van een man, wellicht wel van dien student. Voor zoo’n handelwijze gold niet één, niét de