loochend. Dat loopt maar de deur uit, als een dienstmeisje dat haar uitgaansavond gaat vieren. Het spijt me dat ik het zeggen moet, maar weet U wat ik er van denk? Ze had zich een gezelligen avond voorgesteld mèt Max en nu hij niet thuis kwam, zoekt ze dien zonder hem.
— Dat is werkelijk zonde, Helen. Zoo iets mag men niet zeggen.
— Als de waarheid zondig schijnt, dan is dat niet de schuld van dengeen die haar zegt. Ga maar naar bed, moedertje, het loopt al naar half twaalf.
— Hoe kan ik nu naar bed gaan, terwijl dat meisje in den kouden nacht ronddoolt. Wie weet staat ze wel voor de deur en wil ze van trots niet aanbellen.
— O, om haar trots maak ik me het minst bezorgd. Misschien is dit wérkelijk zonde van mij, maar ik geloof dat dat iets is, waar ze nog nooit last van heeft gehad. Ik bedoel natuurlijk eerlijken, gerechtvaar-digden trots en niet koppigheid.
Ze praatten nog een poos en toen bracht Helen haar tot aan haar slaapkamer.
— Wil je me beloven haar niets onvriendelijks te zeggen, als ze thuis komt? vroeg mevrouw Branders, dringend. Al hebben we nog zooveel redenen om verstoord op haar te zijn, is ze toch in elk geval Max zijn aanstaande vrouw. En misschien blijkt later wel, dat je haar verkeerd beoordeeld hebt.
— Uitsluitend om Max, blijf ik nog tot twaalf uur op. Komt ze vóór het zoo laat is thuis, dan laat ik haar binnen en zeg geen woord tegen haar. Dat maak ik morgen wel met Max uit. Maar al is het ook maar vijf minuten na twaalf, wordt haar niet meer open gedaan. Het is hier geen hotel, moeder.
— Is dat niet een beetje hard, Helen? Oordeel niet te zwaar over een medemensch en wees vergevensgezind zonder eind. Ieder van ons maakt een periode in zijn leven door, dat hij aanspraak maakt op een mild oordeel van anderen. Vader en ik zijn jou en Max nooit voorgegaan in het loopen naar bedehuizen en hebben nooit een bepaalde religie genoemd als de zedeleer, die bij uitstek moest worden nageleefd. Maar juist als ongodsdienstig mensch heeft vader er naar gestreefd, alle ware moraal, uit alle zedeleeren, aan te nemen en na te leven, als zijn levensleer. Vrij van alle dogmatiek, als vader altijd was, legde hij zichzelven grooter verplichtingen ten opzichte van zijn medemenschen op, dan één godsdienst van hem zou hebben gevergd. Wees jij nu óók zoo, Helen, dat zal je altijd een bewustzijn van innerlijk geluk geven. Gertrud mag dan misschien nu zondigen tegen bepaalde menschelijke zeden en gewoonten, inderdaad doet ze niets anders dan den drang van haar eigen natuur volgen. En wié acht zichzelf zoo knap zijn éigen natuur te verstaan, laat staan die van een ander?
IJO