— Waarheen?
— Ergens anders rondneuzen.
Ze gingen naar een bar op het Thorbeckeplein en dronken daar de door hem beloofde likeurtjes. En bij het sluitingsuur nam hij haar mee naar een cafétje, op een bovenhuis. Hier werd gespeeld, gelachen en gedronken. Kees vertelde haar cfat er uitsluitend tegenstanders van het sluitingsuur werden toegelaten en legde haar uit hoe de waardin er voor ' zorgde, dat er geen voorstanders boven kwamen.
Plots keek hij verrast op.
Hé, daar zit voornaam gezelschap! riep hij, spottend.
Hij wuifde met de hand naar een man met vettig, kwabbig gezicht en glimmende, loerende oogen. Over hem zat een jonge vrouw, in zeer luchtig toilet. Ze dronken champagne.
De heer grijnsde terug en noodigde hen beiden uit, aan te komen zitten. Kees, een beetje overmoedig, stelde den heer bij zijn vollen naam voor: Aaron Bernard Kaufmann.
— En met wie heb ik het buitengewoon genoegen? vroeg deze, met rochelend stemgeluid.
— Gertrud, zei ze benepen.
Ze voelde zich niet op haar gemak, tegen hem. Hoewel hij een dame bij zich had, lonkte hij haar vertrouwelijk toe.
— Gertrud? Hoe nog méér?
— Niéts meer dan Gertrud, zei Kees nu.
Gertrud had hem op den voet getrapt.
Kitty, waar zijn zijn goede manieren? vroeg hij, de jonge vrouw.
Kaufmann schonk in, verlangde dat ze met hem klonken, op de kennismaking. Hij dronk zoo gulzig, dat de wijn langs zijn kin liep.
— Waarom is hij voornaam? fluisterde Gertrud tegen Kees.
— Om een heeleboel, antwoordde deze half-luid, zonder zich in te houden. Hij is van alles. Kamerlid, Gemeenteraadslid en weet ik wat nog meer. Maar hij leeft er goed van, dat moet ik hem nageven.
Er kwamen twee vrienden van Ten Brakel binnen, schilders, die zonder uitnoodiging van Kaufmann af te wachten zich ook aan diens tafel neerzetten en zijn wijn proefden. Ze hadden al wat op en vielen Kees aan, om zijn laatste medisch artikel, veroordeelden het, op artistieke gronden. Kaufmann benutte hun gesprek om tegen Gertrud te fluisteren. Hij schoof zijn voet tegen den haren aan, waarop ze achteruit schoof. Toen hij haar met zijn glimmende oogen verliefd aankeek, trok ze Ten Brakel bij den arm.
— Ik wil weggaan, fluisterde ze. Ga mee, ik ben bang voor hem. Hij kijkt me zoo vies aan.
Het was vier uur, toen ze door de Johannes Verhulststraat gingen. Ze bleef voor het huis van Branders staan.
147