inaar dat behoefde ze nu niet vol te houden, vond ze. Een poosje, ja, natuurlijk, maar dan moest ze ook weer eens meedoen. En als hij niet wou dansen, als hij zich aan dat gek vooroordeel hield, dan liet ze zich maar door anderen inviteeren, dacht ze. Na haar eersten dans zou hij dan wel van gedachten veranderd zijn en zoo niét, dan moest hij zich er maar in schikken, dat ze zich met anderen amuseerde. Ze was nu eenmaal niet naar Amsterdam gegaan om zich dood te kniezen.
Toen Helen van school kwam, liep ze haar tegemoet, als een kind dat zijn nieuw speelgoed wil laten zien. Nü was Helen haar vriendin en moest daarom dadelijk weten wat Max haar beloofd had, èn, hoe gelukkig ze daarmee was. Mevrouw Branders schudde het hoofd; haar dochter hield niet van die impulsieve vriendschapsbetuigingen.
— Dag juffrouw Helen, ik ga vanavond met Max naar Mille Colonnes, dansen. Heerlijk, niet?
Helens gelaat betrok. Op school, onder de schriftelijke les, had ze gelegenheid gehad, haar veranderde houding jegens Gertrud te overdenken en toen reden tot zelf-critiek gevonden. Nu zelf onder den invloed der sfeer van tucht en beradenheid, in haar klas, hield ze zich voor dat ze Gertrud te veel tegemoet was gekomen. Dit, dacht ze, kon toch niet behoorlijk begrepen worden, door een oppervlakkig, bijna primitief schepsel, als ze het meisje bleef zien, noch minder gewaardeerd. Daarom had ze zich voorgenomen wél vriendelijk te blijven, maar er voor te waken dat het meisje dat niet als aanleiding tot gemeenzaamheid kon zien. Tegenover haar, het proletenkind, zou ze blijven, de dame. En, nu ze haar zoo kinderachtig bij de deur tegemoet kwam, uitbundig verblijd om een ongepast vermaak, als zij dansen in het openbaar beschouwde, zag ze meteen in, hoe juist dat besluit van haar was.
En U gaat met ons mee, niet juffrouw Helen? voegde Gertrud er haastig aan toe. O, wat zullen we een schik hebben.
— Zèi Max dat? vroeg Helen, met moeite haar verontwaardiging onderdrukkend.
— Ja, hij heeft het beloofd.
— Zei hij dat ik mee zou gaan?
Ook de zin van deze vraag, hoezeer in het Duitsch gedaan, drong niet tot het meisje door.
— Nee, hij zèi het niét, antwoordde ze. Maar, zoodra hij komt, zeg ik het hem.
— Spaar die moeite maar. Dat is niets voor mij, Max weet dat wel. En jij zou er ook niet naar verlangen, als je verstandiger waart.
Ze liep door, hing haar mantel en hoed op en trad de huiskamer binnen. Nu bemerkte ze eerst dat het koud was, op straat; ze liep warmte-verlangend op den haard toe. Mevrouw Branders, die de verhoogde klank
142