al als gastvrouw voordeed. Het meisje keerde den mannen nu den rug toe, boog zich over een kaart heen en vulde kolommen in, in boekjes, zooals hij ze Hellinga aan de mannen der Secties had zien uitreiken.
Nu viel zijn blik op de kaart, waarop Bouwer gekleurde teekens zette. Ze was, bijna rechtlijnig, in ongelijke vakken verdeeld. Max bemerkte dat die vakken in de arbeiderscentra, in Centrum, Oost en West, kleiner van oppervlakte waren, dan in Noord en Zuid. Aan een anderen wand hingen kaarten van die kleine vakken afzonderlijk, vier a zesmaal vergroot. Deze, zoowel als de groote platte grond, waren gemerkt met kruisjes, nulletjes en stippen, in verschillende kleuren.
Daar sta je paf van, hè jongen? zei Bouwer, opgeruimd. Dat is werk van Frits Hellinga, den verloofde van onze Mea. Nu ja, ik heb er ook een handje aan geholpen.
— Hoor zoo’n zeur eens aan, spotte het meisje. Ben je nu wérkelijk te bescheiden om er voor uit te komen, dat het voor drie kwart jouw werk is. Frits heeft hèm geholpen en dat zou die goeie jongen direct erkennen, als je het hem vroeg.
— Stil nou maar, zei de groote man, ongeduldig. Bekijk die kaart maar eens op je gemak, Branders. Je zult er, in de eerstkomende maanden, heel wat mee te doen hebben. Heb je er nu een idee van, wat het moet beteekenen?
— Een strategisch plan voor de verkiezingsactie? vroeg Max.
Bouwer keek hem onderzoekend aan en liet zijn hand zwaar op Branders’ schouder neerkomen.
— Goed geraden, zei hij, een beetje spottend. Er wordt in de wachtkamer zeker al druk over gesproken, dat je het zoo gauw door hebt.
Max doorstond kalm zijn blik. Hij ontwaarde in zich een steeds sterker gevoel van genegenheid voor dien man, om zijn kracht en geweldige energie en om den levenslust, die heel zijn wezen als in zonlicht deed stralen. Het scheen wel dat, eiken keer hij bij hem kwam, Bouwer grooter en machtiger en nog meer van levensblijheid vervuld was, dan tevoren. En toch leek het Max soms, dat dit nog niet eens de heele mensch was, maar dat Bouwer een belangrijk deel van zijn wezen verschool, achter dien rijkdom van uiterlijkheid.
In werkelijkheid had de vriendschap tusschen Mea en den leider dezen in die weinige dagen rijper en zelfs levendiger gemaakt, dan hij reeds was. Sedert hun gesprek, dat zoo onverwacht door Kaufmann en Van Berghem gestoord werd, werkte Mea dagelijks eenige uren bij hem op kantoor. En zooals hij Kaufmann aangekondigd had, was Frits Hellinga reeds den volgenden dag als tijdelijk beambte aangesteld. Deze, een bouwkundig teekenaar, die om het droomerig-revolutionnaire van zijn wezen, achtereenvolgens uit particuliere, staats- en gemeentebetrekkingen ontslagen was, beschouwde zijn aanstelling als een gemeenschappelijke daad