ga met haar in een werkmansbuurt wonen. Misschien zou dat voor jezelf ook niet eens zoo kwaad zijn.
Zijn gelaat klaarde op.
— Ik vind het heel aardig van je, dat je dat zegt, Suze, zei hij. Je hebt waarschijnlijk wel gelijk. Maar, weet je, waar vind ik zoo gauw een woning? Ik heb er geen slag van, kamers voor twee te zoeken, geloof ik. Ik ben er vanochtend op uit geweest....
— Was je op gemeubileerde kamers uit? vroeg ze verwonderd.
— Ja, hoezoo?
— Waar is dat goed voor? Die zijn immers veel te duur en wat moet je vrouw dan uitvoeren? Die weet dan met haar leegen tijd geen raad. Max, doe het niet, zoek een woning waarin ze werken kan, waar ze het huishouden kan doen. Je mag een jonge, gezonde vrouw geen aanleiding tot luieren geven. Als je niet spoedig iets vindt, naar je zin, zeg het mij dan. Jullie kunt voorloopig misschien wel bij moeder inhuren, we hebben nu toch twee kamers over de hand.
— Woon je in zoo’n groot huis? vroeg hij, vroolijk. Maar dan behoor jij óók tot de bourgeoisie.
— Mallert, het is heelemaal geen groot huis. We hebben de tweede verdieping en den heelen zolder in gebruik, omdat die anderen hem niet noodig hadden. Dat wil zeggen, een zolder was het, want vader heeft er heusche kamers van gemaakt. Maar nu mijn broer een zaakje opzet, slaapt hij buitenshuis.
— Waar is dat dan? Ik zou wel willen.
— Weet je dat nog niet eens? Op de Lindengracht. Enfin, jij bent nog nooit thuis geweest, maar vader is anders bekend genoeg.
— Lindengracht, dat is in het hartje van den Jordaan, niet?
— Ja, stemde ze lachend toe. Bevalt je dat niet?
— Juist wèl, ik vind het reuze. Ik had er lang zin in, den Jordaan van wat dichter bij te zien. Ik moet dat leven ook eens meemaken.
Suze wipte spottend het hoofd op.
— Dat leven daar, is precies als het leven overal in de wereld, mijn jongen, zei ze, een beetje eigenwijs. Stel je er maar géén romantiek van voor en ga er niet wonen om heldentypen te ontmoeten, want die vind je daar nèt zoo min, als èrgens anders. Die vind je uitsluitend in die malle romans van overspannen schrijvers.
Max zette zoo’n teleurgesteld gezicht, dat ze er om schateren moest. En toen lachte hij vanzelf mee.
— Suze, zei Hellinga, zich even omkeerend, ik kan niets verstaan. Sectie vijf, Van Hilst!
— Wordt er ook nooit gevochten? vroeg Max, schijnbaar terneergeslagen. Beneem me deze laatste illusie nu niet, Suze.
— Gevochten wordt er zat, antwoordde ze geruststellend. Elke dag
9
129