— Ik moet eerst naar het bureau en heb misschien een paar uur te werken. Maar misschien schiet er naderhand nog tijd over, om kamers te gaan zien.
— Ach nein, dat ist ja doch zoo langweilig, pruttelde ze. Dan moet ik naar dat werken kijken. Neem me lieber Heutabend mit.
— Vanavond? vroeg hij. Waar zou je dan heen willen?
— Ik möchte wahnsinn gerne mal wat dansen gaan, antwoordde ze, begeerig en vleiend. Du.
Een schim schoot voor hem op: Olga. En meteen moest hij aan Landauer denken, heelemaal omzwachteld, in het gasthuis. Hij rilde.
— Nee, dat doe ik niet, zei hij op beslisten toon. Je weet dat je me stellig beloofd hebt, niet te dansen. Ik hou je aan je woord.
— Maar we kunnen toch wel zitten kijken naar het dansen van anderen, sputterde ze tegen. Sagen sie mal, Frau Branders, is dat eine zonde?
— Bewaar me, zei moeder lachend, dan zou de wereld vol zondaars zijn. Zoo erg is het gelukkig nog niet. Kom, Max, daar kun je niets tegen hebben. Ga vanavond een uurtje met haar....
— Nach Mille Colonnes, juichte Gertrud, Ja, Max?
— Goed, zei hij lusteloos.
Hij zag in dat hij een weigering onmogelijk tegenover moeder rechtvaardigen kon, zonder haar dingen te zeggen, die zij nooit te weten mocht komen. Maar toch voelde hij zijn toestemming als een lafheid.
De wachtkamer van het Bureau was bijna geheel vol met mannen, die druk praatten en schertsten, met elkaar. Max kende velen van hen, vakvereenigingsbestuurders, die hij wel op vergaderingen had ontmoet. In een hoek stond een groepje ernstiger te redeneeren. Max ving woorden op, die hem aan de verkiezingsactie deden denken en ook hoorde hij eenige malen het woord „conflict”. Een oude man becritiseerde den leider van de socialistische kamerfractie, Dr. Averling, die volgens hèm te duidelijk liet merken, dat hij op een ministersportefeuille gebrand was. Een jonge vent, met den levenslustigen snuit van een bouwvakarbeider, vertelde de nieuwste grap op Kaufmann, op zóó overtuigenden toon, dat er steeds meer luisteraars om hem heen kwamen staan. Hoewel Kaufmann, een redenaar vol dikke rethoriek en zware pathos, méér dan eenige andere spreker van de Partij gevraagd werd voor vergaderingen, met de domsten uit de laagste lagen en altijd veel succès had, was hij onder de meer ontwikkelde arbeiders evenmin gewild, als bij de eerlijken en idealisten, in de Beweging. Behalve zijn vettig, wellustig gezicht had hij zijn gehuichel tegen zich, zijn femelige praatjes over zijn ziel, waarmee hij gunsten verwierf bij sentimenteele en onevenwichtige
126