ze tot haar verwondering erkennen, dat ze nog mooier was dan haar tot nog toe was opgevallen. De tranen in haar oogen en in den klank van haar stem, zeiden haar dat het berouw van het meisje oprecht was. Die overweging deed in haar dezelfde gedachte opwellen, als die haar moeder genoopt had, toegevender te zijn, in haar oordeel over Gertrud.
— Stuurt Max je? vroeg ze vriendelijk.
— Nee, hij weet niet dat ik naar U toe ben gegaan. Is U nu niet meer boos op me? Neen, toch?
Helen schudde het hoofd. Ze had dan ook geen reden, op dit meisje verstoord te zijn, wegens haar gedrag. Ze was niet verantwoordelijk voor haar, omdat ze haar leerling niet was. En wat Gertrud betrof, die was toch niet uit zichzelf in dit huis gekomen. Max had haar immers meegebracht.
— Nu, ik vind het heel lief van je, dat je uit jezelf bij me komt, Gertrud, zei ze.
Dat was de eerste keer dat ze het meisje bij haar naam toesprak; ze bemerkte dat het een blos van vreugde bij haar opwekte.
En te vergeven heb ik je eigenlijk niets, want je hebt tegenover mij niets misdaan. Maar, zeg nu eens, hou je zóó weinig van Max, dat je aanleiding kunt geven tot scènes als daarstraks?
— Och, ik hou wèl van Max, antwoordde Gertrud, al weer blij-zorgeloos, nu Helen vriendelijk was en haar bij haar naam aansprak. Van U en mevrouw Branders hou ik óók wel.
Helen lachte droevig. Wat wou Max toch eigenlijk van dit kind? Want, trots alles, méér dan een kind was ze toch niet.
— Ja, maar om met iemand te trouwen, moet men héél véél van hem houden. En dat doe je toch niet, geloof ik.
Gertrud haalde de schouders op en keek naar een doosje sigaretten.
— Rookt U ook? vroeg ze.
— Nee, maar als je het graag wilt, mag je er wel een opsteken. Hier is het niet zoo slim als in de huiskamer, bij moeder.
Tegelijk dat ze dat zei, voelde ze groote verwondering om haar toegevendheid. Ze vond zichzelf onstandvastig en meende dat ze zich liet bekoren, door een lief gezichtje en schitterende oogen.
Als je dan niet zoo véél van hem houdt, had je wellicht beter gedaan, niet met hem mee te gaan, naar Holland, zei ze, haar het doosje voorhoudend.
— Max wou het zoo graag en mij was het eender. Hiér of daar, wat komt het er op aan? En hij was zoo goed voor me.
Haastig stak ze nu een sigaret op. Daar had ze zich bijna versproken. Max had nadrukkelijk gezegd dat ze over het gebeurde zwijgen moest.
— En als jullie nu eens getrouwd bent en je kunt het niet met elkaar v inden?
124