nen hebben en daarom was ze maar direct tegen hèm uitgevaren. Dat had ze in Berlijn, tegen moeder, ook altijd gedaan, als deze wou opspelen, om haar laat thuiskomen en dat had haar dikwijls een standje bespaard. Maar nu het scheen, dat Max geen argwaan had, doch alleen verstoord was om haar laat komen, speet het haar alweer, dat ze zich had laten gaan. Nu immers, had ze Helen boos gemaakt, terwijl deze toch al niet veel met haar ophad. Helen toch was de eenige in dit kleine gezin die nooit tegen haar sprak en zich gedroeg, alsof ze veel beter was dan zij. Maar daarom juist had ze er van begin af, in stilte, naar verlangd vriendinnen met haar te worden, om dan door haar in aanraking te komen met de menschen met wie zij gewoonlijk omging. En nu had ze zelf die verwachting verstoord, door haar onbesuisd gedrag. Gertrud had de gewaarwording dat ze zich wel voor het hoofd kon slaan van spijt, om die domheid.
Ze bleef zwijgen en keek bijna niet van tafel op, behalve als mevrouw Branders haar iets vroeg. Dan antwoordde ze op stillen toon, bijna gedwee, om haar spijt over haar brutalen mond te doen merken. Dit maakte op moeder een verteederenden indruk; ze vroeg zich af, of ze misschien toch het meisje verkeerd beoordeeld had. Uit alles bleek immers dat ze, wat ze dan al mocht hebben meegemaakt, nog maar weinig meer dan een kind was. En ging het verleden van het meisje, hoe dan ook, haar eigenlijk wel wat aan? vroeg ze, in zich zelve. Zij had haar eigenlijk als Max’s aanstaande vrouw te zien en als niets anders. En haar oogenschijnlijk gemis aan beschaving, haar en Helens voornaamste bezwaar tegen Gertrud, ging in de allereerste plaats hèm aan. Hij had haar leeren kennen zooals ze was en zich met haar verloofd. Nu hij haar naar een vreemd land had meegenomen, viel de volle verantwoordelijkheid, voor haar, op hem. Als hij die nu dragen wou en genoeg van het meisje hield om af te wachten hoe zij zich ontwikkelde, dan stond het niet aan haar, als gastvrouw en aanstaande schoonmoeder, het kind moeilijkheden in den weg te leggen.
Na de koffie stond Gertrud, als bij plotseling besluit, resoluut op, met een vragenden bilk naar mevrouw Branders. Ze ging naar Helens kamer en trad, toen zij op haar klopte antwoordde, regelrecht op haar toe.
— Juffrouw Helen, vergeef me, zei ze zacht. Ik heb er heusch spijt van, dat ik me zoo ongemanierd gedragen heb.
Helen keek haar verwonderd aan en wees haar een stoel. Het was voor het eerst dat Gertrud op haar kamer kwam en ook, dat ze haar rechtstreeks aansprak. Dat het meisje nu geen Berlijnsch sprak en niet één Hollandsch woord gebruikte, voelde ze als een hulde aan haar zuivere kennis der Duitsche taal. En nu Gertrud beschouwend met dien criti-schen blik, waar haar leerlingen zooveel respect voor hadden, moest
123