druk gebabbeld had en haar gewoonlijk wat bleeke wangen gloeiden, als had ze in een draf geloopen, om op tijd thuis te zijn.
— Wat ben je laat, Gertrud, zei Max, toen ze zat.
— Das spijt mir, zei ze, met een oogknip. Ik hab’ me verlaufen.
— Verlaufen, verlaufen? vroeg Max, verbaasd. Je hèbt je niet te verlaufen, want je hoeft niet alleen de straat op te gaan.
— Sag’ se, hoonde ze. Und mit die Annie darf ich óóch niet raus? Sag’ mal, wil je mir vastbinden?
— Max, zei moeder, op verzoenenden toon.
Hij knikte en keek voor zich.
— Als jai me niet mitneemt, moet ik doch ja alleine aus, versteht se, ging ze voort. Daar bin ik jung voor.
— Nu is het genoeg geweest. Wees zoo goed te zwijgen.
— Kannst de selbst magge. Ik spreek, wannier iek wil. Und wenn ’s dir niet gefallt. . . .
— Zul je nu je mond dicht houden, zei Max, gebelgd. Heb je dan heel geen respect voor moeder en Helen?
— Halt’s Maul, jaiself! kreet het meisje, plots in woede uitbrekend. Ich lasse me nicht einschliessen, va-stehtste, du affe?
Dan zweeg ze, geschrokken. Helen stond op en liep de kamer uit, met een blik van verwijt op Max. Mevrouw Branders weifelde een oogenblik of ze haar volgen zou, maar bleef zitten, bij een smeekend gebaar van Max. Gertrud, heelemaal overdonderd door Helen’s minachtend weggaan, bukte beschaamd het hoofd en begon te eten.
Ze was werkelijk uitgegaan om in het Vondelpark te zitten lezen. Dat had haar echter spoedig verveeld en ook was de najaarsochtend te guur, om lang achtereen stil te zitten. Toen was ze eerst den hoofdweg en later een laan doorgewandeld en daar door een heer aangesproken, die ook in de Verhulststraat, op kamers, woonde. Hij was grooter dan Max, blond en vroolijk en had haar, in het Duitsch, lieve complimentjes gemaakt. Zonder bedenken was ze naast hem blijven voortloopen en had, in het Paviljoen, onder een kop koffie met hem zitten babbelen. De kellner had hen blijkbaar voor een verloofd paar aangezien en zich verwijderd, toen hij aanstalten maakte om haar te kussen. Ze had er geen kwaad in gezien, gekust te worden en het eerder vreemd gevonden, als hij het niet had gedaan. Een kus telde niet. De blonde man was echter overmoedig geworden, had haar zijn adres gezegd en verlangd dat ze hem op zijn kamer zou komen bezoeken. Wandelend door de laantjes was het toen ongemerkt laat geworden, zoodat ze in een draf naar huis liepen.
Hij stond er op haar tot de deur te brengen en uit overmoedigheid stemde ze daarin toe. Eenmaal in huis, had ze echter bedacht dat, als Max iets bemerkt had, dat voor haar onberekenbare gevolgen zou kun-
122