van dat bedrag gevraagd, zou hij toch niet hebben gehuurd. Hij was er van overtuigd, dat ze het geen drie dagen met Gertrud had kunnen vinden.
Tegen kwart voor een kwam hij thuis. Moeder en Helen zaten al aan tafel.
— Waar is Gertrud, moeder? vroeg hij, bevreemd haar niet te zien.
Mevrouw Branders haalde spijtig de schouders op.
— Ze is uitgegaan, ik weet niet waarheen, zei ze dan.
— Annie weet het waarschijnlijk wel, merkte Helen schamper aan. Haar neemt ze geloof ik heelemaal in vertrouwen. Zielsverwantschap, misschien.
Dan zweeg ze; het meisje kwam binnen. Max wist dat Helen dienstpersoneel op een zóóveel lagere trap van ontwikkeling vond staan dan zijzelve, dat ze er slechts bij hooge uitzondering toe zou overgaan, er een ander gesprek mee te voeren, dan dat betrekking had op de werkzaamheden.
— Moeder, kan U dan óók niet zeggen hoè laat ze de deur is uitgegaan? vroeg hij, toen Annie de kamer verlaten had. Als haar maar niets overkomen is.
Helen lachte smalend.
—Nauwelijks een kwartier nadat jij weg was, denk ik. Het was nog vóór tienen.
— Misschien is ze in het park gaan zitten lezen.
— Dat denk ik ook, spotte Helen. Ze is heelemaal een meisje om drie uur achtereen zoet met een boek op een bank te zitten.
— Wat wil je daarmee zeggen? vroeg hij driftig.
De bel ging met een ruk over.
— Dat zal ze wel zijn, zei mevrouw Branders, verzoenend.
— Nee, dat is haar belletje toch niet.
Hij zweeg, luisterde. Uit de stilte van de weinig beloopen straat scheen hij het geluid van haar stem op te vangen. Met wie kon ze spreken. Nu maakte Annie eerst open.
— Wiedersehen! verstond hij nu duidelijk.
Daarop klonk het geluid van een stevigen stap, op straat.
Max kleurde, voelde zich plotseling koud worden en toen heel warm. Dan tastte hij naar zijn oogen. Daar was het gevoel van dofheid weer, dat hij in München en Berlijn had gehad; net alsof hij tijdelijk blind was. Hij wreef de oogleden.
— Mahlzeit! zei Gertrud, opgeruimd. Ach nein, goeden middag, eet smakelijk, verbeterde ze snel.
Luidruchtig trad ze naderbij en kuste Max op de wang. Mevrouw Branders antwoordde haar flauwtjes en Helen keek haar een oogen-blik zwijgend aan. Haar oogen schitterden, alsof ze een poos aaneen
121