— Wel ja, haast je, rep je, zak maar finaal weg en ruk je heelemaal van het normale leven los. Doe maar gauw dien sprong in het duister. En het geld, om een huishouden op te zetten en een luxe-vrouw te onderhouden heb je zeker, öf je weet een plek waar het goud regent. Misschien heb je wel van een socialistisch Kamerlid geërfd.
— Geld? Ja, dat heb ik genoeg. Ik kan zooveel voorschot krijgen als ik wil, van die door jou zoo gehate lui. Maak je om mij maar niet bezorgd.
Toen was hij verstoord weggeloopen, om met Gertrud, die met moeder geïllustreerde bladen zat te bekijken, wat te gaan babbelen. Maar het meisje verveelde zich al in huis en had verlangd dat hij met haar de stad in zou gaan, om modemagazijnen en café’s te zien.
Daarna waren er dagen voorbij gegaan, zonder dat Helen had laten merken, dat ze haar haastig oordeel over Gertrud had herzien. En moeder scheen haar Duitsch, dat ze dien eersten middag zoo aardig had opgehaald, weer geheel te vergeten. Ze sprak Gertrud uitsluitend in het Hollandsch aan en vermeed uitvoerige gesprekken, met haar. Tot zijn wanhoop was Max aan den Burgerlijken Stand te verstaan gegeven, dat Gertruds papieren weer naar Duitschland terug moesten, omdat er op één een stempel ontbrak. Maar, het meisje scheen heel niet te merken, dat ze meer geduld werd dan welkom was en dat deed hem eenigszins in zijn tegenslag berusten. Ze was voortdurend opgeruimd en dankbaar voor elk woord en alles wat ze kreeg. Ook tegen hem werd ze zachtmoediger, ja, liever dan ze in Berlijn tegen hem was; dat wekte de hoop in hem, dat ze nu werkelijk op weg was véél van hem te gaan houden.
Hij sliep op zijn oude kamer, in de Helmersstraat, maar ontbeet er niet. Als hij thuiskw'am, stond Gertrud hem soms al aan de deur op te wachten, een glans van blijdschap in haar mooie oogen. Het ontbijt-uurtje vond hij het gezelligst van den heelen dag. Helen was dan al naar school en soms liet moeder hun een kwartiertje op zich wachten. Gertrud vertelde dan van haar vorderingen in de Hollandsche taal en van een Hollandschen roman, dien ze op haar manier aan het lezen was. Ze kon dikwijls geestig zijn en als ze dan soms, in een op-opwelling van teederheid, haar hoofd tegen zijn schouder aanlegde en hem vleiend in de oogen keek, viel het hem moeilijk te gelooven, dat ze hetzelfde meisje was, dat door haar vader avonden achtereen was gezocht, in alle groote en verdachte café’s van de wereldstad. Nu eens schaterde ze het uit, om een grap, die ze ineens bedacht, om een Hollandsch woord, dat ze allerdwaast verhaspelde, ook wel, om een herinnering aan vroolijke dagen, met vrienden in Berlijn doorgebracht en dan betrok plotseling weer haar gezicht, begon ze te beven en drukte ze zich angstig tegen hem aan. Dan vroeg ze soms dringend, of hij