om te geven, zooals jij, zooals de dichter, je aan de menschen geeft.
En met een kreet trok ze zijn hoofd naar zich toe, perste haar mond op den zijne en kuste hem, innig, verlangend, begeerend, in overweldigenden drang van door te geven, te ontvangen. En Bouwer zoende haar terug, omdat ze lief was, en zijn bloed van gezonden jongen kerel er tegen in opstand kwam, dit levensbegeerende meisje nog langer terug te houden.
Plotseling ging de deur open. Van Berghem trad binnen, gevolgd door een heer, iets kleiner en dikker dan hij. Zijn gladgeschoren gezicht bolde kwabbig-vettig op van oververzadiging. Dikke, wellustige lippen vormden een mond, die weinig aan dien van een normaal mensch deed denken. De sterk gebogen neus teekende sluwheid; in de vettige kleine oogen scheen een substantie te zwemmen, wier uitdrukking kon afwisselen, al naar de gemoedstoestand van den persoon. Bij zijn onverwacht binnen treden, gluurde de heer kwaadaardig naar Bouwer en tegelijk valsch en begeerend naar Mea.
Zij had dadelijk haar hoofd terug getrokken. Nu, een tergende lach op haar mooi gezichtje, stond ze langzaam van Bouwers knie op. Daarna fronste ze streng de wenkbrauwen, tegen Van Berghem.
De heer met het vettig gezicht sprak het eerst.
— Wat een tref dat Hellinga niet bij ons is, zei hij schamper.
Bouwer hief minachtend den ruigen kop naar hem op.
— Dunkt je, partijgenoot Kaufmann? antwoordde hij, rustig. Nou, als je er op gesteld bent, voortaan Hellinga hier te zien, dan heb ik goed nieuws voor je. We komen hier spoedig een kracht te kort en daartoe zal ik hèm aanbevelen. Dan weet je zeker waar hij te vinden is, als je weer eens een spion op hem wilt zetten. Moest je me spreken, Van Berghem?
— Ja, wij allebei. Overigens, we hadden drie maal geklopt, voor we binnen kwamen.
— Neem de boekjes mee, Mea en vergeet niet ze te brengen. Ziezoo, vertel nu maar eens wat jullie voor nieuws hebt, als je het in een kwartier kunt doen. Ik moet de stad uit.
— We komen je namens het Partijbestuur en de Kamerfractie uit-noodigen tot een conferentie, ter bespreking van de groslijsten voor de Tweede Kamer-verkiezingen, zei Kaufmann, met rochelend geluid. Zes maanden zijn gauw genoeg voorbij en er is een massa werk te doen. Dunkt jou óók niet, dat er van dezen keer een aantal zetels te winnen valt?
— Ja, antwoordde de reus nu weer even gelijkmoedig als altijd, dat denk ik wèl. En ik ben er zeker van dat menigeen bij deze verkiezing zijn zetel voor goed verliest. Ik zal eens nazien, welke dag het mij het best schikt.