van hen had, doch door liefde met hèn voordeel zocht, gretig aanvaarden, wat hem zoo gewillig en gaarne werd aangeboden? Hij zette haar als een kind op zijn knie, vlijde beschermend zijn machtige armen om haar heen en trachtte het haar voor een laatste maal te verklaren.
— Je kan mijn vrouwtje niet zijn, Mea, óók al had ik die passie voor jou, die je wenscht. Ik kan niet deelen, mijn hoop, mijn verlangen, mijn verwachtingen, met een vrouw. Daarom kan ik ook niet verlangen, door jou geinspireerd te worden, want dan zou ik een deel van wat ik in het leven behaal, aan jou te danken hebben. Ik ben óók trotsch, ijdel, eerzuchtig, alles op mijn éigen manier. Wat ik bezit, mijn energie, mijn gedachten, mijn kijk op de dingen, wil ik voor mij houden, om, wat ook het resultaat er van moge zijn, het met recht en reden te mogen beschouwen als het hoogste en het beste wat er te bereiken viel.
Ik ben een leider, Mea, ik wil een leider blijven. En een leider moet één en ondeelbaar zijn, voor zijn werk èn, mag geen zwakke oogen-blikken kennen, noch invloed of hulp van anderen aanvaarden. Een Leider die van één houdt, is geneigd zich door dat gevoel te laten be-heerschen en daardoor af te dwalen. Maar, hij moet juist over anderen heerschen, wil hij zijn taak kennen. En door nu geheel maar óók uitsluitend de Menschheid lief te hebben, door haar vóór te gaan, weet hij dat hij heerscht, doordat ze hem volgt.
Ga nu, Mea. Ik moet naar Den Haag; daar wacht weer werk op mij. Drijf niet te ver door, door alleen te werken op den man, in den mensch, als hij er naar streeft, ook voor jou, de mensch in den man te zijn. Ga, Mea.
Zijn stem klonk nu zacht, bijna verzoekend. En hij opende zijn armen; maar, nu drukte ze zich nog vaster tegen hem aan. En tranen beefden in haar stem.
— Laat me niet alleen, Willem, neem me mee, naar Den Haag. Neem me overal heen mee, om van je te houden en op je te passen. Wie weet of je niet iemand noodig hebt, die achter je kijkt, daar jij altijd vooruit staart. Je hebt immers vijanden, méér dan je weet of vermoedt. Je hebt ze allen tegen je gemaakt, het Partijbestuur, de Redactie, de Kamerfractie, Van Berghem met zijn kornuiten. En, wees toch niet zoo hoogmoedig, niet tè fier op je kracht. Juist omdat je maken en scheppen wil en kan, juist omdat je een dichter bent, kan je niet zonder de inspiratie, die alleen de liefde schenkt. Je wilt geven, véél geven, eiken dag opnieuw, altijd door, liefde, toewijding, opoffering, arbeid, maar dat moet jij toch ook op je beur/ ontvangen. Jou moet immers ook altijd gegeven worden, om je bron stroomend te houden, om te voorkomen dat je je uitput, voor je werk ten halve gedaan is. En dat nu kan alleen een vrouw, dè vrouw die lief heeft, die altijd bereid is liefde te geven, liefde op te dringen, zonder iets terug te vragen, alleen maar geeft
“3
8