den nationalen patroonsbond. Ik heb liever een van zijn type, dan tien Van Berghems. Dus die Branders kende je al? Wat dunkt je van hem?
— Een nette jongen,zei de oude vrouw, onverschillig, wat moet ik méér zeggen? Als je het mij vraagt, dan hoort dat soort van hem méér bij de politiekers thuis, dan bij ons.
— Mag je hem niet?
— Och, waarom, ik gun hem geen kwaad. Maar wat doèn die jongens in de Beweging? Ze verdienen een goed stuk brood bij ons en als je het mij vraagt, kan je ze toch nooit zoo goed vertrouwen als onze éigen lui. Jij bent nou zoo pienter, Willem, maar geloof je nou heele-maal niet aan de kans, dat die lui onder mekaar mét mekaar konkelen? Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Jouw hart ligt altijd op je tong, niet om te zeggen dat je een flapuit bint, maar de Dikke en die smieze-rik van een Kaufmann zouden er vast wat voor over hebben, als ze dien jongen eens konden laten praten. En, wat houdt hem tegen? Bloed is dikker as water en hij is evengoed een bourgeois as zij. Van ons is ie maar vreemd.
Bouwer legde een der boekjes neer en ging weer gestadig voort. Hij knipte, onmerkbaar voor moeder Kooy, oolijk met zijn linkeroog.
— Het is me er immers juist om te doen, den Dikke een kans te geven, ons door een te laten afleggen. Niet dat ik juist op Branders verdenking heb, maar hij schijnt me een zwakkeling en ie heeft een vrouw aan de hand. Dat is altijd een gevaarlijk punt. Maar, maak je om mij maar niet bezorgd, moeder Kooy. Wat ik niét zeggen wil, komt er toch niet bij me uit... .
Hij zweeg; er werd geklopt. Mea Landers kwam binnen, het mooie kopje guitig vooruit stekend.
— Mag ik mijn boterham bij jou op eten, Bouwer? vroeg ze. Suze is even een boodschap doen, en alleen is zoo vervelend.
— Ja, als je zoet bent en niet praat, zoolang ik bezig ben. Breng er nog een kop bij, moeder Kooy.
— Voor mij niet; ik heb er nog een op kantoor staan.
Ze trippelde haastig weg.
— Dat is een bij de handje, Willem, als je het mij vraagt, zei de oude vrouw..
Ze ging heen. Bouwer floot even, vergenoegd en ging ijverig voort. Hij lette niet op Mea, die terug kwam en op een lagen stoel, naast het bureau, ging zitten, waar ze zoo dikwijls gezeten had. Ze at met kleine hapjes, volgde onverpoosd Bouwers gedoe en lachte gevleid, als hij zich nu en dan omkeerde om een slok koffie te drinken en haar dan oolijk toeknikte. Eindelijk was hij gereed. Hij ging voor zijn bureau zitten, at haastig en keek intusschen de boekjes nog eens aandachtig door.
105