— Wilt U maar naar kantoor gaan? vroeg Mea.
Bogaerts zat op zijn oude plaats. Tegenover hem, waar vroeger soms Van Berghem zat, werkte een jonge man uit boeken een staat bij.
Hij keek Max een oogenblik met ernstige, bijna fanatieke, oogen onderzoekend aan. Dan, knikte hij.
— Hoe maakt U het, mijnheer Bogaerts?
Deze haalde de schouders op en stak hem de hand toe. De deur van privé-kantoor werd met kracht opengeslingerd.
— Die complimenten komen straks wel aan de beurt! bulderde een stem. Kom nou maar eerst even hiér, Branders!
Bogaerts knikte hem onmerkbaar toe. Toen liep hij door.
— Morgen, mijnheer Bouwer, zei hij.
De voorzitter van het Verbond wees hem, de deur dicht te doen.
— Mijnheer Bouwer ben ik overigens alléén voor tegenstanders en vreemden. Het hangt er nu maar van af, of jij je tot één van die groepen rangschikt, Branders. Ga zitten en neem een sigaar.
— Dank U, het is me nog wat te vroeg.
— Zoo? Het is hier veranderd, hè? Het zal gauw nog anders worden, daarom hebben we geen tijd meer voor hoofsche manieren. Ik heb je hier geroepen om te voorkomen dat de anderen me vóór zijn. Je bent eerst een uur geleden in de stad gekomen, nietwaar? met een jong meisje, dat je bij je moeder in bewaring hebt gegeven. Is zij het, die je hebt laten verplegen?
— Hebt U me laten bespionneeren? vroeg Max, boos wordend.
— Maar jongen, verwijt je me dat? We zijn toch geen schooljongens, die roovertje spelen! viel Bouwer, op goedhartigen toon, uit. De arbeiders hebben het recht te weten, wat hun bezoldigde beambten in het buitenland uitspoken èn, waaraan hun geld wordt besteed. Enfin, het is gebeurd en er wordt niet verder over gesproken, als je voortaan je plicht weet te doen. Ik zelf ben er de persoon niet naar, om te vitten op persoonlijke liefhebberijen, zoolang . . .
— Ze wordt mijn vrouw, we gaan trouwen! viel Max hem in de rede.
Bouwer keek hem onderzoekend aan. Medelijden en minachting tee-
kenden zich op zijn gezicht af.
— Zoo? Nu, dat is jouw zaak. De onze is, dat wij van onze beambten zéker moeten zijn. Nu is het groote vraag, of we, gezien je eenigszins romantisch begrip van het leven, je opnieuw het vertrouwen van het Verbond kunnen schenken. Heb je al iemand gesproken van. . . den anderen kant?
— Hoe bedoelt U?
Opnieuw keek de groote man hem doordringend aan.
De deur ging open; Bogaerts kwam binnen.
— Ik ga koffie drinken, Bouwer, zei hij. Heb jij nog te doen, Bran-
IOI