s— êen je nu niet blij, dat we spoedig tbuis zijn? vroeg bij in de taxi.
— O ja, warum nicht? vroeg ze verbaasd.
Hijzelf was wel wat ongerust om wat moeder en, vooral, Helen zouden zeggen, van zijn keus, hoopte dat moeder en zuster haar even lief en mooi zouden vinden, als hij deed. Het goedkoop, grijs mantel-costuum, dat haar goed stond, gaf haar zóó’n ernstig en waardig voorkomen, dat zij, vond hij, nu zeer goed kon doorgaan voor een meisje van beschaafde familie. Niemand, dacht hij, zou nu nog op de gedachte kunnen komen, dat ze de dochter van een metaalbewerker was. Hij had daar dan ook niets over geschreven en nam zich nu nog eens extra voor, alle vragen aangaande haar herkomst zou goed mogelijk te omzeilen. Zijn plan, daarenboven, was, zoo spoedig mogelijk te trouwen, waardoor hij in de gelegenheid zou zijn, haar aan de nieuwsgierigheid van anderen te onttrekken.
— Je belooft dus op je woord lief te zijn tegen moeder en Helen en je best te doen, gauw Hollandsch te leeren? vroeg hij, na een poosje, wel voor de dertigste maal, sedert hun vertrek uit Berlijn.
— Ja doch, warum nicht, antwoordde ze korzelig. Dan, toen een wolk zijn vriendelijk gezicht verduisterde, voegde ze er haastig in gebroken Hollandsch aan toe: Ik bin doch ja altijd lieb.
Nu moest hij weer glimlachen en zij lachte nu ook, van trots dat ze zulke goede taalvorderingen maakte. De lach deed haar gezichtje glanzen, als van een kind. Hij maakte haar zoo mooi, dat Max zich voornam, haar dikwijls reden tot lachen te geven en zoo veel mogelijk het verdriet van haar verwijderd te houden.
Annie deed open. Ze zei dat mevrouw in het salon wachtte. Max gleed Gertrud voorbij en snelde zijn moeder om den hals, nog voor ze een woord hadden gezegd, zooals hij het als kleine jongen had gedaan.
— Moeder, dit is nu Gertrud, zei hij dan, niet zonder wat verlegenheid.
Mevrouw Branders gaf het meisje de hand. Annie kwam binnen om de kleeren aan te nemen en toen liet moeder Gertrud plaats nemen. Ze glimlachte haar vriendelijk toe, terwille van Max en bedacht voor de zooveelste maal hoe jammer het was, dat ze niet meer vrij in het Duitsch dorst te praten. Ze vreesde heel veel vergeten te zijn. Nu had ze echter meer gelegenheid, het meisje op te nemen en over haar te denken. Ja, ze was mooi, dat moest ze Max toegeven. Als ze nu nèt zoo lief en goed was, dan. . . . En, als ze spoedig leerde zich in het Hollandsch uit te drukken, want dan eerst kon ze er volkomen zelf over oordeelen. Annie kwam terug.
— Waar moeten de koffers van mijnheer en de juffrouw staan, mevrouw? vroeg ze. De chauffeur heeft ze maar zoo lang in de gang gezet.
Max keek zijn moeder vragend aan.
98