TROUWEN. 19
tot intimiteit van zijn zijde. Zij zelf bouwde de hoop in hem op, zij effende hem den weg van wat hem fantasie leek, naar werkelijkheid.
Zoo moest het wel in hem gaan hopen en verlangen ; slechts de durf ontbrak hem nog, zich uit te spreken. Doch, zij scheen het in zijn oogen, zijn gebaren te lezen ; ze ontleedde met den helderen blik van haar groote oogen, zijn hakkelend spreken, zijn zoo jongensachtige beschroomdheid. Zichtbaar vergemakkelijkte ze zijn opzet, overbrugde zij de kloof die hem scheidde van haar, de dochter van den rijken juwelier, door hem gemeengzaam te vertellen van thuis, van haar stille moeder, hun eenvoudige leefwijze.
Dan — zekeren avond, waagde hij het en vroeg hij haar met enkele woorden, met vrees in het hart, overtuigd als hij