TROUWEN. 169
Misschien...... ha-ha...... misschien......
ziet hij ons...... ha-ha...... gelukkig paar
voorbijrijden...... en lacht hij me uit......
— Simon 1
— Waarom niet! grijnsde hij, bleek. En verder — wij op reis.
Jij — vervuld van gedachten van.........
eh — en van liefde voor hem...... ik ver
schroeiend onder de bitterste zelfverachting......
Zoo zal het blijven...... waarheen we
gaan...... wéér wij zijn......
Hoe zou ik met je...... kunnen leven......
je eiken dag zien — met je spreken ? Wat
al gruwelen......mijn wittebroodsweken......
O — wat ’n misselijke lafaard zou ik mij gevoelen naast jou.
Hij viel terug in zijn stoel...... hoofd
op tafel...... Zoo bleef hij liggen...... als