TROUWEN. 159
gen...... om alles te weten. Wie weet hoe
gauw de rust mij had veranderd, hoe spoedig ik was gaan leeren van jou zooveel te
houden als jij van mij.........
Het beeld van samenwonen dat zij daar voor hem deed leven, bracht hem in verwarring. Haar stem klonk hem nu ook
zoo zacht toe...... Hij weifelde. Klonk dat
niet al te mooi — al te lief...... al te aantrekkelijk......? Maar als zij nu eens werkelijk zoo was als zij zich nu voordeed......
ging het bedeesd- in hem vragen...... Als
zij nu werkelijk eens zich geheel aan de
waarheid had gegeven — dat oogenblik......
Als het dan toch eens waar was...... dat
zij het verleden als afgedaan beschouwde... en zij zich in geen enkel opzicht meer
gebonden achtte......
Dan sprak een stem in hem :
— Gij zult niet!