136 TROUWEN.
sprek, vóór hun huwelijk. Nu — nu ze nog onafhankelijk waren van elkaar......
— Kan jij je niet indenken, Roos, waarom ik de kinderen heb gevraagd te gaan fietsen ? hervatte hij.
— Opgestookt, bedoel je. ’t Flitste uit haar als een louter schertsuiting. Dat maakte hem nog ernstiger en vaster van voornemen.
— Roos — doe mij een genoegen en scherts niet. Kan jij je nu werkelijk niet voorstellen dat ik je móest spreken, dat het joeg en brandde in mij, me te uiten onder vier oogen ? Je hebt het begrepen — je wist het, anders had je niet zoo stelselmatig het alleen-zijn met me ontweken. Nu zijn we alleen !
— Alleen ? Haar rondziend oog vestigde zich beurtelings van hem op elk der bezoekers die, om hen zittend, hier en daar,