bij haar terugkeer in de kamer, afgemat in een stoel neerzakte en 'het bleeke gelaat opfrisehte met haar zakdoek.
Op een holletje liep Jo nu naar de buren.
De meisjes waren allen gereed en na een hartelijk afscheid van mevrouw, Juf en Nettie togen ze naar school.
De school was ongeveer een kwartier van hun huis verwijderd en het was op weg er naar toe een gebabbel en gevraag van je welste. De meisjes moesten alles van de school weten en Jo kon ze er maar niet genoeg van vertellen.
„Waar is Dien?” vroeg Dé plotseling. „Die komt je toch altijd halen?”
„Vanmorgen niet,” zei Jo wat verlegen. „Ze zal vanmiddag wel weer komen.”
Dé vroeg niets meer, ze begreep.
„Is ze een beetje jaloersch?” lachte Tine. „Dan zullen we ze es fijn plagen.”
„O, doe dat niet,” vroeg Jo, zóó smeekend dat ze allen begonnen te lachen.
„Neen,” zei Dé. „Dat zou misselijk van je zijn, Tine. Dien zal ’t zuur genoeg hebben.” „Nou kind, dan niet,” zei Tine luchtig. „Daar hoef je geen gezicht van tien dagen regen voor te trekken.” Lachend en babbelend kwam het clubje bij school aan, waar op het voorplein al een heele troep meisjes bij elkaar stonden, nieuwsgierig de nieuwelingen te zien. Jo voelde zich! Het was nu haar taak de
9&