om zich veel met de tweelingetjes te kunnen bemoeien.
Ada Wallen had al heel vroeg haar moeder verloren en was opgevoed door aardige en niet aardige gouvernantes. Toen ze veertien jaar werd, moest haar vader voor eenige jaren naar Australië en kon zijn eenig kind onmogelijk meenemen op die verre reis.
Door kennissen had hij gehoord van het liefderijke tehuis, dat mevrouw Cortelingen de haar toe vertrouwde kinderen bood en nadat hij met mevrouw gesproken had, voelde hij zich verruimd en verlicht, nu hij zijn eenige lieveling aan zulke goede handen kon toevertrouwen.
En nu nog het zesde meisje, Willy Leendertz. Die had nog allebei hare ouders en haar moedertje had ’t niet te druk met een groot huishouden om zich met haar kind te bemoeien, noch was zij zwak of ziekelijk.
Willy was haar eenig kindje, maar al vanaf haar geboorte was ze verzorgd en bewaakt door vreemden. Moedertje had ’t immers veel te druk met naar bals en partijen te gaan om zich de zorgen voor baby op den hals te halen. Daarvoor waren toch kinderjuffrouwen!
Toen Willy grooter werd, kwam er een gouvernante en dit ging héél best, want de gouvernante was een lief, hartelijk meisje, dat Willy het gebrek aan moederliefde zooveel
94