„Ja, en wat danst ie fijn. Ik heb lekker twee dansen met ’m gedaan.”
„Hij is véél te oud voor je! Hij scheelt wel een jaar of acht met je!”
„Kind, wat zeg je nu voor nonsens. Je mag toch wel dansen met iemand die ouder is dan jij.” „O ja, maar ik dans veel liever met Rob of Loe.”
„Die passen ook beter bij je leeftijd,” plaagde Dé. „Maar zeg, Tini, vin-je Jo geen dot?”
„Ja, een echt lief en gezellig meisje, gewoon dol, dat ze naast ons woont.”
„En Dien, hoe vin-je die?”
„Hoe vi-jij d’r?”
„Ik vraag ’t jou toch.”
„Nou... .zoo. Ik weet zelf niet. Ik geloof, dat ze wel aardig is, maar ze kan zoo kattig zijn.” „Ja, dat vind ik ook en soms ineens zoo stug. Je weet eigenlijk niet wat je aan haar hebt.”
„ Jo houdt erg veel van haar dan kan ze toch zoo naar niet zijn.”
Plotseling werd er op den muur geklopt.
„Zeg, houden jullie nou op met praten, we kunnen niet slapen,” riep een gedempte stem.
„Zie je nu wel,” zei Dé.” We houden Ada en Annie uit den slaap met ons gepraat.”
„Nu, laten we dan maar gaan slapen. Zeg Dé, dol, morgen voor ’t eerst naar school. Als er nu maar leuke kinderen in onze klas zitten.”
„We hebben Jo en Dien toch,” zei Dé slaperig.
88