schraapte mijnheer Tervaart zijn keel en sprak op hoogst-ernstige toon de volgende woorden: „Blanke en bruine broeders en zusters,
Is het mij vergund, eenige woorden tot u te spreken. Het feit, dat deze wigwam op mijn erf staat, geeft mij moed dit te doen.
Ik vrees ook, dat de machtige Winnetou en de geen haar minder machtige Zonnetijger niet in staat zullen zijn een behoorlijke speech zonder hakkelen ten gehoore te brengen.
’t Is daarom, blanke en bruine broeders en zusters, dat ik ze het woord afgris en u uit hun naam een hartelijk welkom toeroep in deze waarlijk vorstelijke Indianen-tent. Moge dan in deze woning een stevige band ontstaan tusschen de Indianen-bende en hunne buren.
En — is er soms geen ruimte genoeg, want jullie zijn me met een fatsoenlijk troepje, welaan, dan zeg ik u broeders en zusters, dat mijn erf en woning voor u open staan. En blanke buren-kinderen, als je „je beenen maar veegt” voor je binnen komt en je rommel opruimt, dan zal zelfs het licht der keuken je steeds met wijd geopende armen ontvangen.”
Op deze woorden volgde een oorverdoovend gejuich en hoerageroep, maar mijnheer wenkte met de hand om stilte en vervolgde:
„O, dachten jullie,dat ik nu al klaar was? geen 'denken aan, dat houdt nog wel een paar uurtjes aan.
83