„Mooi zijn de Indianen, hè moesje?” zei Nettie „Waarom zeggen ze nu niets?”
„Dat hoort zoo bij Indianen,” fluisterde mevrouw. „Als ze in de tent zijn, zeggen ze zeker wat tegen je.”
Achter het troepje kwamen mijnheer en mevrouw Tervaart aangewandeld en oom Wim vormde de achterhoede. Steeds weerklonk nog zijn dof tromgeroffel.
Nu ging het de achterkamer en de serre door, waar de tuindeuren al wijd open stonden.
En... .„O!” gilden ze allen toen ze de prachtig versierde tent zagen.
De Donkere Roos was zóó opgetogen, dat ze haar rol geheel vergat en juichend riep:
„Dat is zeker weer werk van oom Wim. O, wat prachtig!”
„De Groote Geest is machtig!” zei deze op zalvenden toon.
Maar toen het troepje de tent van binnen zag, was al hun Indianen-waardigheid vergeten.
Kreten van bewondering stegen op en Indianen en blanken warrelden dooreen om toch al het schoons te zien, wat daar eensklaps en op zoo geheimzinnige manier in de tent getooverd was.
De scalp werd wel het allermeest bewonderd en vooral de meisjes griezelden ervan.
Toen er eindelijk een einde kwam aan alle uitroepen van verbazing en bewondering,
82