Eindelijk was ’t dan twee uur. Dien en Lou waren ook al present en oom W im, die als leider van de feestelijkheden dienst deed, had bevolen, dat allen in de huiskamer zouden blijven, tot de buurtjes kwamen.
De vier kinderen waren wederom door hem gegrimeerd en zagen er in hun aardige pakjes keurig uit.
„Daar komen ze!” riep eensklaps „de Donkere Roos,” die de deur bij de buren hoorde dichtslaan.
„Mooi zoo,” zei oom Wim. „Nu gaan jullie met je vieren in de hal staan en als het licht der keuken ze „opengedaan” heeft, dan gaan jullie ze met plechtige schreden vóór naar den tuin.”
Na deze woorden verwijderde oom Wim zich plotseling en toen mevrouw Cortelingen en de meisjes aanschelden, weerklonk eensklaps een vreemd geluid door de hal, zooi ets als het doffe gerommel van een trom en een zachte stem zong met eenigszins neuzigen klank een vreemde wat eentonige melodie.
„Wat is dat?” fluisterden de vier Indianen.
„Natuurlijk weer een mop van oom Wim,” zei Rob. „Dat moet de Indianen-muziek verbeelden.
„Hou nu stil,” zei Jo. „Daar zijn ze.”
Heel statig en onbewegelijk bleven de Indianen staan en toen mevrouw en de meisjes binnen kwamen, bogen ze diep en gingen ze, onder de tonen der klagende muziek, deftig voor ze uit, naar den tuin.
81
Casa Bianca 6.