„Kaffer!” fluisterde oom Wim tegen Rob.
Rob, die zeker onder het aandragen van de bloemen voor de tent, er een had laten vallen, had er heelemaal niet bij gedacht, dat Jo daardoor argwaan zou krijgen en de bloem bij de anderen gevoegd.
„Die vond ik in den tuin,” zei Rob, die zoo gauw niets wist te bedenken.
„Had je die niet gisterenavond in je knoopsgat?” vroeg vader aan oom Wim.
„Ja,” zei deze onverschillig. „Zeker er uitgevallen.”
„Wat is ie dan nog frisch,” zei Jo, toch een beetje wantrouwend.
„Jop, je komt te laat op school,” waarschuwde moeder.
En haastig gingen vader en Jo gearmd op weg naar school.
„Wat was dat stom van me,” zei Rob beschaamd, terwijl hij z’n boeken in de tasch pakte.
„Nu, ’t is nog goed afgeloopen,” zei moeder. „Ze heeft toch geen idee waar de anjer vandaan komt.”
Toen Jo om twaalf uur uit school kwam, hadden moeder en Ant allerlei werkjes voor haar te doen en na de koffie moest ze piano studeeren, zoodat er geen sprake was, van even naar den tuin gaan, zooals ze gewoonlijk direct deed, als ze uit school kwam.
80