het gewone recept van guirlanden en kransjes.
Toen alles klaar was namen oom Wim en Rob hun werk in oogenschouw.
„Niet kwaad,” zei oom.
„Eenig mooi,” vond Rob.
„Jo zal oogen opzetten! Laten we er aan denken, dat ze niet vóór vanmiddag in den tuin mag. Mevrouw hiernaast zal zorgen, dat de meisjes geen onbescheiden blikken op onzen arbeid werpen.”
Na nog een laatsten goedkeurenden blik op hun arbeid te hebben geworpen, ging het tweetal naar binnen, waar ze mevrouw, die ingewijd was in de geheimen, al bezig vonden het ontbijt klaar te maken.
„Is alles in orde?” vroeg ze-op fluistertoon, bang, dat Jo plotseling zou binnen komen.
„O, moeder, ’t is eenig! II moet even kijken.’
„Ja, wel graag, maar passen jullie dan op, dat Jo, als ze beneden komt niet naar den tuin ontsnapt.”
„Kit, doe een doekje om, ’t is nog frisch buiten,” zei oom Wim, met een bezorgden blik op het bleeke gelaat van z’n zuster.
Rob volgde dien blik en toen moeder de kamer verlaten had, zei hij op ongerusten toon.
„Vindt u moes er ook zoo slecht uitzien?”
„Ja,” zei oom ontwijkend.
„Moeder ziet er wat zwakjes uit. Maar niet erg hoor!”
76