zich inhouden om niet hardop te fluiten, ’t was dan ook zoo keetig! Oom en hij hadden den vorigen avond afgesproken, om ter eere van Jo’s nieuwe vriendinnen en buurmeisjes de tent te versieren, zoodat ze er een waardige receptie in konden houden.
Toen Rob het tuinhok opensloot, slaakte hij een kreet van bewondering. Daar stonden tegen den muur groote schilden, met allerlei vreemde teekens erop, sommige beschilderd met Indianenkoppen.
Die oom Wim toch! Wat een eenigert! Had ie natuurlijk gisterenavond nog tot laat aan zitten werken. Zoo’n oom moest er nog geboren worden!
Op den grond stond er een kistje met fijn groen en heel mooie bloemen, allerlei teêre kleuren bij elkaar.
En wat had hij daar! Hij greep in een borstelig iets. Even deinsde hij terug. Dan haalde hij het harige voorwerp naar boven. Wat was dat?
Rob barste in een schaterlach uit. Een halve cocosnoot, beplakt met een bos donkere haren. Een scalp!
„Hoe is ie?” vroeg oom Wim, die zacht achter hem aan was gekomen en nu genoot van het succes.
„Gewoon reusachtig!” zei Rob. „Hoe verzin je ’t?”
„En er is nog meer moois,” zei oom Wim en
74