„Straks als je gaat rusten, dan mag je de bovenverdieping zien,” zei Wim, die haar zonder veel complimentjes op tilde en in een fauteuil neerzette.
„Tsjonge, hijgde hij. „Dat valt niet mee!” Mevrouw Cortelingen ontdeed haar van hoed en mantel en Jo liep op een holletje met het goed naar boven.
In een wip was ze weer beneden om toch geen minuut van moeders bijzijn te missen.
Toen allen rustig zaten, zei Wim:
„Zeg Kit, nu hebben ze je allemaal zoo in de bloemetjes gezet en je eigen broer gaf je geen enkele attentie bij je thuiskomst. Wel een beetje raar, vin-je niet?”
„Niks raar,” lachte zijn zuster, „Alle bloemetjes zijn nu voor het meiske.”
„Mag „het meiske” dan eens de bloemetjes halen die Wim je wil geven?” vroeg Dé, terwijl ze opstond en zich haastig naar de achterkamer begaf.
Mevrouw Tervaart keek met nieuwsgierige blikken naar de gezichten der anderen. Die stonden zóó geheimzinnig en ze lachten elkaar zóó schalks toe. Daar moest wat gebeuren!
Daar kwam Dé weer binnen met iets dat in een doek gewikkeld was.
Wim zette twee stoelen vlak over zijn zuster en hielp Dé met het losmaken der doek.
„Oogen dicht!” riep mijnheer Tervaart, terwijl hij zijn handen op zijn vrouws oogen legde.
236