„Naar binnen, naar binnen,” riep mijnheer Tervaart, die bang was, dat zijn vrouwtje te moe zou worden.
„Maar man, wees toch niet zoo angstig voor me,” lachte mevrouw, die heel goed zag, hoe bezorgd haar man naar haar keek.
„Ja kind, dat is nog de macht der gewoonte.”
„Hij kan er nog met aan wennen, dat hij nu zoo’n „wolk van een vrouw” heeft,” dolde Wim, die met innige blijdschap naar het ingezonde gelaat van zijn zuster keek.
In de kamer stond Mevrouw Cortelingen met Nettie.
Het kleine ding had een beeldig wit-zijden jurkje aan en in de blonde krullen een grooten witten strik.
In haar handjes droeg ze een prachtige bloemenmand, die ze mevrouw Tervaart met een allergrappigste „kniks” overhandigde.
Van al de meisjes, en van moeder en Juf en mij,” zei ze met haar lieve stemmetje.
Ze was om te stelen, zooals ze daar stond en Mevrouw Tervaart nam het schattige ding op en I knuffelde haar naar hartelust.
„Zoo, moeder de vrouw, nu ga je eerst eens rustig zitten en dan brengt Jo je goed naar boven,” beval vader.
„Laat me dat nu zelf even doen,” smeekte moedertje. „Ik verlang er zóó naar m’n heele huisje weer te zien.”
235