verloving geeft. En dan zal ik hem, evenals ik ’t U nu ga doen, mijn plannen ontvouwen.
Kijk eens, lieve Dé, je bent nog te jong om te trouwen en voor mijn werk is het noodig, dat ik nog een jaar of wat naar het buitenland ga.
Ik zou echter zoo graag gaan met de zekerheid dat bij mijn terugkomst me nog maar enkele weken zullen scheiden van onzen trouwdag.”
„Wat is dat in-verstandig bedacht,” zei mevrouw Cortelingen.
,,En heeft mijn Dé ook vrede met dit plan?” vroeg oom Wim, terwijl hij het meisje angstig vragend aankeek.
„Ja, dat heb ik,” zei Dé op standvastigen toon. „En ik zal in den tijd dat je weg bent, met behulp van mijn pleegmoedertje alles doen, om te zorgen, dat je een verstandig en flink vrouwtj e krij gt. ”
„Lieve, lieve Dé,” zei hij aangedaan.
„Ik wist wel, dat je me onmiddellijk zoudt begrijpen. Tusschen ons zal nooit misverstand zijn.”
„Waar denk je je reis naar toe te maken?” vroeg Dé, haar verstandige oogen naar hem opheffend.
„Naar Egypte, kind, dat is een jarenlange illussie van me en het is daar zoo’n heerlijk studieveld voor me. Ik heb dit alles lang en breed met mijn lieve zus in Arosa besproken. Vandaar, dat mijn plan zoo prachtig in elkaar zit.”
223