„Ja, ’t was daar straks ook zoo’n woelige bende,” lachte Dé. „Maar wat zagen ze er allen schattig uit, ik weet heusch niet, wie ik wel de liefste vond.”
„Ze zullen succes hebben, daar ben ik zeker van. Zeg Dé, zeg me eens eerlijk, heb je geen spijt, dat je niet mee bent gegaan?”
„Neen, daar heb ik geen spijt van,” zei Dé, terwijl ze oom Wim vast in de oogen keek. „Ik had niet onverdeeld kunnen genieten en misschien had al die prei:, me wel gehinderd. Ik ben zoo vervuld van Vader’s dood en den heerlijken brief, die hij me kort vóór zijn dood schreef.”.
En Dé vertelde Oom Wim van dien brief en alle lieve herinneringen die ze gekregen had.
Oom Wim zat. vol belangstelling naar haar te luisteren en Dé liet zich geheel gaan. Ze had zich immers bij hem altijd zoo vertrouwd gevoeld.
Toen sprak ze hem over haar plan om door te gaan in Kunstgeschiedenis. En wat hij daar wel van zei.
„Dat kan ik niet anders dan hartelijk toejuichen,” zei hij. „Het is een mooie studie en net geschikt voor jou, die zooveel voelt voor al wat kunst is.”
„En dan kan ik heerlijk bij mevrouw blijven wonen, want ik ben van plan bij Juffrouw Kroon te blijven leeren.”
220