„Ik wil dolgraag wat blijven praten,” zei mijnheer Tervaart. „En mij is ’t niet om de taart te doen. Maar als U ’t goed vindt, ga ik eerst een uurtje naar huis om m’n gewone avondbabbeltje met m’n vrouw te houden.” „Nu dan zijn we hem voor een goed poosje kwijt,” plaagde Oom Wim. „Eer hij die 25 kantjes vol heeft....”
„Gaat u maar rustig schrijven,” zei mevrouw. „En als u klaar is komt u nog een tijdje hier en spelen we een quatre-mains.”
„Dolgraag,” zei mijnheer Tervaart.
Nu werd er een stukje van de lekkere taart voor Nettie af gesneden en moest het kleine ding met Mevrouw en Juf mee naar boven.
„Ilc ga eens gauw de rommel opruimen,” zei Juf. „’t Is me een bende daarboven.”
„Ik zal u gauw even helpen,” zei Dé, terwijl ze opsiond.
Maar Juf duwde haar terug in haar stoel. „Geen denken aan, kind. Je hebt je rust wel verdiend. Jij hebt het leeuwenaandeel gehad in de kleed- en kappartij.”
„’t Zou ook al te wreed zijn om Oom Wim in z’n eentje te laten zitten,” vond mevrouw. „Neem jij dus de honneurs maar waar, wc komen weer gauw beneden en dan schenk jij ons een kopie thee.”
„Wat is ’t hier een zalige rust,” zei oom Wim, toen alles naar boven was.
219