Het was een alleraardigst stel.
Halo, halo, halo!!!” klonk het uit den gang. „Daar komp Aujoest!”
En onder luid geschreeuw buitelde Loe als clown naar binnen.
Hij zag er potsierlijk uit, in een costuum van gele zijde, op rug en borst een lachende maan geschilderd.
Z’n handen hield hij in z’n broekzakken, die hij op clowns manier wijd uit trok.
Z’n gezicht was krijt-wit gemaakt en op z’n hoofd had hij een mal pruikje met een onzinnig klein, hoog hoedje erop.
Er kwam schier geen einde aan het gelach en gejuich, ’t Was ook tè grappig!
„Zoo kinderen, nu wordt het jullie tijd,” zei mevrouw.
„Hoe zullen we gaan zitten?” vroeg Tine.
„Ik zou zeggen, in ieder rijtuig een cavalier,” zei Mevrouw.
Dat was best. En lachend en joelend trok het heele troepje de gang door naar de rijtuigen, uitgeleide gedaan door alle achterblijvenden.
Toen ze allen weer in de huiskamer terug wraren, zei mevrouw:
„En mag ik de heeren nu verzoeken den avond verder bij ons door te brengen, of zijn er andere plannen?”
„Als m’n zwager er niets tegen heeft,” zei Oom Wim. „U begrijpt, .. die taart’.. die lokt me!”
218