en in haar hand een grooten Japansehen waaier.
„Allerliefst,” zei Mijnheer Tervaart, „Ik wou, dat ik je koopen kon, geisha!”
„Daar komt m’n laatste kind!” riep Mevrouw Cortelingen, die met Dé en Juf de kamer in kwam.
In de gang hoorde men castagnetten geklepper.
„Dat klinkt Spaansch!” lachte Oom Wim.
En jawel! daar kwam Willy binnen als Spaansche schoone.
Wat zag ze er beeldig uit!
Een rood satijnen rokje, waarover heen een net van gouddraad met balletjes er aan. Een crème zijden blouse, waarover ze een zwart fluweelen bolero droeg, met goud bestilct.
Over de hoog gekapte haren lag mooi gedrapeerd een kanten doek, die gehouden werd door een grooten kam en waarin vuurroode bloemen staken.
„L’amour est enfant de Bohème,” zong Oom Wim. „O, Carmen, Carrnen, wat zal ie veel harten breken!”
„’t Is een keurig stelletje,” bewonderde mijnheer Tervaart.
E11 waarlijk, het was een allerliefst gezicht, toen de vier meisjes daar bij elkaar stonden. Alle kleuren harmonieerden, ’t was een beeldig geheel.
Daar werd gescheld.
216