En zoo was dan de gewichtige avond van het gecostumeerde feest aangebroken.
De eostumes van Dien, Rob en Loe waren een geheim voor de anderen, evenzoo hadden de meisjes hen in onzekerheid gelaten omtrent de eostumes die zij zouden dragen.
In de huiskamer zaten Mijnheer Tervaart en Oom Wim met Nettie te wachten tot de meisjes beneden zouden komen.
Nettie was niet te houden van nieuwsgierigheid.
„W7anneer komen Dien en Rob en Loe nu?” riep ze ongeduldig.
„Luister maar goed, of je de rijtuigen nog niet hoort,” zei mijnheer Tervaart.
„Komen ze met rijtuigen?” vroeg Nettie, de groote oogen één en al verbazing.
„Deftig, hè?” zei Oom Wim. „Wacht maar, klein ding, ie zu!t nog groote oogen opzetten.”
„Hè, kwamen ze nu maar, ik wil ze zoo graag zien.”
„Stil, ik hoor wat,” zei Oom Wim. Op de trap klonken schuifelende voetstappen.
Daar kwam het liefste Javaansche vrouwtje binnen, dat men zich kan denken.
De glanzende, zwarte haren waren in een kondeh gelegd, waarin kleine witte bloempjes en gouden spelden staken.
De witte met fijne kant versierde kabaja werd dichtgehouden door gouden kabaja-
214