„Daar zou ik in m’n egoisme nu nooit aan gedacht hebben.”
„Het Javaansche pakje zou iets voor Jo zijn,” zei Juf, „die heeft zoo’n donker type.”
„Ik weet nog niet of ik wel ga, Juf,” zei Jo en haar mondje trilde. „Als moeder héél goed is wil ik graag gaan, anders liever niet.”
„Daar ben ik niets bang voor,” zei mevrouw. „Moeder gaat immers zoo best vooruit.”
„Ik wil liever wachten met besluiten tot Oom Wim terug is, die zal me wel eerlijk zeggen, hoe ’t met moeder is.”
„Jou kleine twijfelaarster,” plaagde mevrouw^ haar. „Dus de berichten van Vader en de brieven die moeder je zelf schrijft, vertrouw je niet.” „Moeder zou om me maar gerust te stellen de brieven misschien wat opgewekter kunnen schrijven, dan ze werkelijk is.”
„Neen kind,” zei mevrouw op stelligen toon. „Als moeder niet goed was, zou ze niet mogen schrijven, wees daarvan verzekerd.”
„Hè, U neemt me een pak van ’t hart,” zei Jo dankbaar. „Daar lag ik ’s avonds maar over te piekeren en dan kon ik niet in slaap komen.’’ „In ’t vervolg liever dadelijk zeggen als je ergens over tobt, Jopielief.”
„Ja mevrouw, dat zal ik,” zei Jo blij. „Meisjes, ’t is tijd om te dekken,” zei Juf, terwijl ze Nettie meenam om haar vóór ze aan tafel gingen nog wat op te knappen.
212