„Ja, maar we hebben nog niet afgesproken waarop wij zullen tracteeren,” zei Ada. „Studentenhaver!” riep Tine.
„En.... toffies, zeg!” stelde Wil voor.
„Ja, reuze!”
„Kan ’t er van af?” vroeg Dé, die als oudste de bedachtzaamste was.
„Poeh! we houden nog over,” rekende Tine uit. „Hé, laten we ook nog wat drop koopen.” „Hoor nou zoo’n kind!” riep Dé, „Is dat nou iets om bij de thee te gebruiken?”
„Zeg schaap, we lurken toch niet de heele middag thee,” zei Tine boos. „Ik ben er nou eenmaal gele op jullie mogen voor mijn part de toffies houden, geef mij dan maar voor ’n paar centen anijsdrop.”
„Je zult ze hebben, verwend nest..” plaagde Dé. „Een heele zak voor jou aUeer.”
„Op d’r hoofd, zeg. We lusten ze allemaal wel”, riep Ada.
„Behalve Dé, die is er te damesachtig voor. Stel je voor! Niets artistiek, een drep-etend meisje!!!”
„Tine, wat beu je flauw!”
„En wat ben jij een dottekop!” En Tine, die in een van haar dolle buien was, trok Dé in een woesten galop mee door de kamer.
Mevrouw vond best, dat ze Dien gingen halen en beloofde op het thee-uur met Nettie en Juf te komen.
200