„Ik heb een riks van Vader gekregen,” zei Jo. „Dus kan ik bijdragen in de onkosten.”
„Niks daarvan, jij bent onze gast vandaag.” zei Dé. „Laten we nu even onze schatten natellen.”
„’t Valt reuze mee,” juichte Tine, toen ze alles bij elkaar hadden gedaan.
„Wil, jij geeft als de rijkste het grootste deel. Tracteer jij nou op de koekjes bij de thee.” „Prachtig! En dan fuif ik er nog een ons pralines bij.”
„Gompenikkie, wat een verkwisting,” lachte Ada. „Koeken èn pralines, ’t kan niet op, je kan toch echt zien waar de moppen zitten.”
„O.W. er!” plaagde Tine.
„Toe Tine, nou geen herinneringen bij Dé wakker roepen,” gichelde Ada.
„Gut kind, daar dacht ik nu heusch niet aan,” lachte Tine.
„Bloosde ze al?”
Ze keken allen met ondeugende blikken naar Dé, die zich niets van al die plagerijtjes aantrok en ze allen voor „echte blagen” uitmaakte.
„Zeg, hoor eens,” zei Jo weifelend. „Mag Dien ook komen, ze is Woensdag’s altijd bij me.” „Maar natuurlijk,” riepen ze allen, „’t zou niks leuk zijn, als Dien er niet bij was,” vond Dé. „Laten we nu even aan Mevrouw vragen of we Dien mogen halen en de boodschappen doen.”
199