De zitkamer was nog niet in gebruik genomen, ze hadden allen behoefte nu heel dicht bij Mevrouw te zijn.
Op een avond zaten allen knus en gezellig om de tafel geschaard, toen er gescheld werd en even later Jo binnen stapte.
„Wel Jopie,” zei Mevrouw. „Dat is gezellig, kind, schuif gauw bij.”
Ze zagen allen, hoe Jo’s anders zoo vroolijk snuitje, dien avond heel bedroefd stond.
Ze nestelde zich vlak naast mevrouw en barstte toen ineens los:
„Moeder is niets goed.”
Ze schrokken er allen van en Mevrouw vroeg bezorgd:
„Is moeder erger dan gewoonlijk?”
„Er komt morgen een professor uit Amsterdam,” snikte Jo. „Moeder ziet er zooveel slechter uit en ze is zoo moe en ze hoest weer veel erger.”
„Kom liefje,” zei Mevrouw. „Moeder is al vaker zoo geweest en iederen keer werd ze weer beter. Moedertje zal nu ook wel weer opknappen.”
„Maar dokter zei toch, dat Vader een professor moest laten komen,” zei Jo.
„Dat is heel verstandig van dokter,” vond mevrouw. „Zoo’n hooggeleerde weet misschien een middel waardoor moeder eerder herstelt.” „Denkt u dat heusch, mevrouw?” vroeg Jo,
192