Het zou zeker ’t meest voor de hand liggen, dat ze bij haar voogd in huis kwam en wat mij betreft, ik zou niets liever wenschen, maar. . .. mijn vrouw ziet er tegen op.
Ziet U eens, Mevrouw' Cortelingen, we hebben geen kinderen, mijn vrouw7, die veel jonger is dan ik houdt veel van uitgaan. U begrijpt, dat we een meisje van zeventien jaar niet overal mee heen kunnen nemen en.... mijn vrouw is niet het persoontje om ter wille van Dé ’s avonds thuis te blijven.
’t Is beter, de dingen helder in te zien, en zoodoende te verhinderen, dat het kind ten tweede male een huis kreeg, waar ze het gemis aan een Moeder zou voelen.”
Hier zweeg de heer Verheuts even, alsof ’t hem vermoeid had over deze pijnlijke kwestie te spreken.
„Mevrouw Cortelingen,” hernam hij, ,,al mijn hoop is op u gevestigd.
U zult misschien zeggen, dat ’t al heel gemakkelijk is, om een moeilijke kwestie op de schouders van een ander te schuiven.
Geloof u mij echter, dat ik alleen Dé’s belangen in het oog houd en ik zeker weet, dat ik het kind niet gelukkiger kan maken, dan ervoor te zorgen, dat ze blijft bij de vrouw, die in den waren zin van het woord een moeder voor haar is geweest.
Ik weet niet, hoe Uwe plannen voor de toe
187