„Arme Dé,” fluisterde zij, terwijl de tranen haar in de oogen sprongen.
„Ja, het kind is wèl te beklagen, ze moet haar ouders al vroeg missen. En u weet misschien wel, dat ze het met de stiefmoeder niet kan vinden.”
„Dé heeft me een en ander verteld.”
„Juist met het oog daarop, wilde ik eens even met u praten.
Ziet U eens, Mevrouw Cortelingen, ik ben Dé’s voogd en nu deed zich bij het vernemen van de droeve tijding, de vraag bij mij op, waar moet Dé heen?
Dé is eenige jaren bij een tante in huis geweest, dat was in den tijd, toen mijn vrouw en ik nog in Indië waren.
Uit gesprekken met mijn broer, kon ik opmaken, dat het kind ’t daar niet heel prettig had en ’t was dan ook een ware verademing voor mijn broer, dat Déetje bij U in huis kon komen.
Vanaf dien tijd veranderden haar brieven en we konden goed bemerken, hoe’n heerlijk, warm tehuis ze bij U had gevonden.”
„Iets wat het kind van harte verdient, mijnheer Verheuts.” zei Mevrouw. „Het is zoo’n bizonder lief kind en ze heeft een groot tekort aan liefde gehad.”
„Volkomen waar, Mevrouw. En juist daarom vraag ik me met angst af: waar moet het kind heen?
186